Welkom | Werkwijze | Gedichten (Aleid) | Gedichten (Carolien) | Gedichten (Christiena) | Gedichten (Elveerah) | Gedichten (JMT Adema) | Gedichten (Lilian) | Gedichten (Margriet) | Gedichten (Peter) | Gedichten (Willy) | Gastdichters | Gedicht van de maand | Activiteiten Dichterscollectief | In de pers | Activiteiten in het land en regio | info en contact | Links | Nieuwsbrief | Foto's | Gastenboek

Weerwerk

 

Met

Helder denken

Vergeldt ze het kwaad

Gedachten zijn sterker

Dan welke vertwijfeling ook

Denken over het zelf

En de ander

Wendt het lot

En keert

De pijn

 

Uiteindelijk

 

 
Staand
voor deze maand
aarzelend
slaak ik een zucht
met de berg in het vizier
wetend dat er
licht zal schijnen
als ik het
van harte
vier
 
zee
 
tussen twee oevers in
ik stak van wal
ik val er in
mijn moederland
heb ik verlaten
niemand heeft nog in de gaten
dat ik naar een aankomst
zwem....
 

 

Buitenontbijt op zondagochtend

 

Mijn stille smakken

Overstemt bekant

De vogels die, ontwakend

Mij leren dat de nieuwe dag

Mij insluipt, teder makend

 

Zacht, zacht ontvangend

De koelte van de dag

Ik rangschik in een handdoek

De ochtenddauw die lag

Verspreid als dikke parels

Op mijn stoel

 

Ik vind mijn doel

De hete thee

Berust zich in de tijd

 

Ik schrijf

 

Gegroet

 

Gegroet, ik ga naar verre oorden

zoekend naar wat nieuwe woorden

nieuwe tinten die mij kleuren

nieuwe bloemen die mij geuren

nieuwe ogen die mij mogen

laten zien wat is, misschien.

 

Ooit kom ik dan

volgeladen, schoongespoeld en

vogelvrij,

niet verloren maar herboren

terug naar jou en terug bij mij.

 

 

Papaver

 

De laatste berg van 's-Gravendijck

Staat ongekend in bloei

Duizend pas ontloken knoppen

Duizend nog maar in de groei

Zee van overwinningskleuren

Laatste mijlpaal van natuur

Waar ik mij in kan verliezen

Op dit zonnig middaguur

Hier is rust, en stille schoonheid

Innig rood straalt hartstocht uit

Ik hoor slechts 't zoemen van de bijen

En mijn hunkerende huid

 

 

Lied van de schrijver

 

De woorden van weleer,

De beelden in mijn hart,

De wegen die mij leiden

Naar de dromen van mijn jeugd;

Wie zich verheugt in het herinneren

Koestert deze paden,

De volgeladen wagen met tijd,

Verleden tijd.

 

Wat zijn mijn dromen en mijn daden

Wanneer ik niet meer ben?

Vervlogen, ongezien en ongehoord…

Geen mens weet wat er leefde

Tussen wens en werk’lijkheid

Zolang mijn schrijvershand niet hunkert naar het woord…

 

Mijn kind, ik wil je geven

Te leren in dit leven;

De woorden van weleer laat ik je zien,

En heel misschien zijn er wat woorden

Die je nergens ooit nog hoorde,

Maar heb je alles al gezien:

Lees dan mijn liefde tussen alle regels door,

Lees mijn liefde tussen alle regels door!

 

 

(maart 2006,

voor Herman de Mooy,

auteur van ”Het schone kussen”)

 

 

Puberdochter

 

Soms schrijnend venijnig

je afstand inbouwend

waar mijn moedergevoelens zacht-schreeuwende zijn

 

Mijn dochter, ik weet het,

Je bent niet meer klein

 

Maar laat me je strelen

Je haar nog wat spelen

Mijn liefde wat delen

Desnoods in 't geheim...?

 

De wereld mag weten hoe groot je al bent

Maar mag ik het zijn die 't langst je al kent?

 

 Winter

 

Winter is het trieste einde

Van ’t heroïsch herfstgedruis;

Als de blaad’ren zijn gevallen

En de wind geen spel meer heeft

Keert de wereld zich naar binnen

Waar bezinning in ons leeft.

 

Nee, geef mij die stoere herfst maar:

Sterke storm, kop in de wind,

Alle krachten om je oren,

Als een grootgeworden kind

Stevig stappend door de wereld,

Doelbewust door de natuur.

Voor je ’t weet zit je weer binnen,

Slaat de herfst haar laatste uur…

 

Winter is het stille einde,

Alles komt ineens tot rust

Als de winter met zijn koude,

Met zijn sneeuw de wereld kust…

Ik zit binnen, stil te kijken

Naar het wit dat nederzijgt,

Stil verlangend naar het waaien

Van de wind die blaadjes krijgt…..

 

 

Feest

 

(of: Lied van de nieuwkomer)

 

Ach laat ik blijde zijn

Vanwege het festijn

Ofschoon met stil venijn

Mijn oude scherpe pijn

Van eenzaam eenzaam-zijn

Zich voelen laat in klein

Moment van samen-zijn

Met mensen op dit plein

 

Ach dat toch een paar ogen

Mij nu ontmoeten mogen

Niet rakingsloos gevlogen

Maar met wat mededogen

Mijn hopeloze pogen

Bezegelt,  onbedrogen

Mij zijn laat wie zij zijn

 

Ach, laat ons blijde zijn

 

 

In januari…

 

 …Verdampt de roes van alle mensen,

Stort in, je pas gestylede haar,

Verbleken liefs en beste wensen;

Twee benen in het nieuwe jaar.

 

Daar sta je dan, ontdaan van wapens

Als familie, drukte, feest,

Of wapens als verdriet en tranen

Om wat juist wel (niet?) is geweest…

 

In januari, als de overmoed een beetje gaat vervagen,

Staat daar de mens als weerloos wezen

Zichzelf de weg te vragen…

 

Waar sta ik nu?

Waar ga ik heen?

Ach, laat ik LEVEN!

Elke dag dat is er een!

 

 

Gedicht over Biddag en Wereld Vrouwendag:

 

8 maart 2006

 

Zo schiep Hij Eva als de hulp van Adam,

En menig Adam dacht: Ik ben de baas!

Maar wie het leven leert, die moet bekennen:

Bij huwen is het bazen dwaas!

 

Zou onze God als enige niet weten

Dat ied’re hulp een helper nodig heeft?

Ach, nee, Hij weet allang wat wij behoeven;

’t Is meestal dat wat Hij al eerder geeft!

 

Dus koester dan degene die u lief is,

Wees dankbaar voor de gaven van elkaar

En bid dat Hij u beiden wel zal leren

Een hulp te zijn, zij voor hem, en hij voor haar!

 

 

Jaja

 

Wanneer mijn simpel ja

Een ja zou zijn,

Mijn simpel nee

Een nee,

Wat zou mijn leven

Helder zijn

 

Mijn ja wordt tja

Met zacht venijn

Scheurt het mij stem,

Mijn werk en ook mijn spiegelbeeld

In twee

 

Troost

 

Wanneer ik nu alleen zou zijn

Dan zou ik vredig schrijven

Het lege blad zou vragend zijn

Het zou niet lang leeg blijven

 

Wanneer ik zonder jou zou zijn

Dan stokt de adem in mijn keel

Mijn woorden zouden tranen zijn

Een leeg blad was al veel

 

Toch hoop ik voor wie achterblijft

Op duizend blanco bladen

Zodat, als er weer woorden zijn,

Zij schrijven kan, die troost is fijn

En opent nieuwe paden

 

Nog hier

 

Je bent er nog

Je bent nog hier

En nog niet weg

En nog niet dood

 

Je bent er nog

Je bent nog hier

Zo heel vertrouwd

Geschenk, zo groot

 

Je bent er nog

Je bent nog hier

Geschenk zo groot

Dat ik het vier!

 

 

Bezorgdheid- een el

 

Met mijn mooie woorden

Wil ik je bewaken

Terwijl ik ‘tuurlijk ook wel weet

Jij moet jouw fouten maken

 

Maar heel misschien raakt het een snaar

Die inzicht op doet bloeien

En kan, door mijn bezorgdheid,

Wel jij een eindje groeien…..

 

 

Na-laten

 

Aan het einde van je reis

Tel je kosten, tel je baten

Kijk je naar je leven om

Zoekt: wat heb ik nagelaten?

 

 

Tweeling

 

Als ik het een naam moest geven

Wat ik voel diep in mijn hart

Zou het tweelingschap gaan heten:

Nauw verbonden maar apart

 

Als ik plots kijk in je ogen

Kijk ik in een deel van mij

Doet me schrikken lachen huilen

Zonder dat je een woord zei

 

Geen verliefdheid, geen begeren

Enkel iets heel speels, heel dieps

Met jou zou ik willen rennen

Zoals ik ooit door de bossen liep:

 

Pratend, lachend, luchtig rakend

Zon en schaduw op je gezicht

Rennend over zeven heuvels

Rustend in het avondlicht

 En daarna gaan we weer vlug

Naar ons eigen huis terug….

 

© Margriet van der Mey

(Dichterscollectief Katwijk)

 

volgende>>>

 

 

 

 

 

 

 

 

Laatste wijziging op: 18-02-2007 18:58