Welkom | Werkwijze | Gedichten (Aleid) | Gedichten (Carolien) | Gedichten (Christiena) | Gedichten (Elveerah) | Gedichten (JMT Adema) | Gedichten (Lilian) | Gedichten (Margriet) | Gedichten (Peter) | Gedichten (Willy) | Gastdichters | Gedicht van de maand | Activiteiten Dichterscollectief | In de pers | Activiteiten in het land en regio | info en contact | Links | Nieuwsbrief | Foto's | Gastenboek

De cactus

 

Achter in de tuin een oude kas

Door haar beslagen ruimte valt het vage licht

In de bewegingloze lucht, verdroogd, verstoft

Staat daar, hoe lang nu al, de oude cactus

 

 

Hij houdt een lange winterslaap

Allang voorbij aan pijn en wachten

Droomt hij dat hij gestorven is

En dat er iets is dat hij nog moet doen

 

Tot op een dag een tuinman hem te drinken geeft

Met zuiver levenswater stroomt hij vol

Hij dompelt zich in pijn, in vreugde

En schenkt het leven aan een bloem, zo wonderschoon

 
Elf november
 
Stug doorlopen maar
Gekrompen en ineengedoken
Verkild tot in mijn koude hart
 
Stug doorlopen maar
De bladeren waaien doelloos rond
De wolken jagen voort, waarheen?
 
Stug doorlopen maar
En dan ineens die ijle kinderstemmen
Vier kleuters met gekleurde lampions
 
Of waren het de elven
Die met hun lichtjes en een simpel liedje
Het schijnbaar dode kind in mij deden herleven?

 

Eenzame plek

 

Zandvallei in grijze tinten

Hier en daar wat plukjes helm

En overal konijnenkeutels

 

Bovenop het duin het grauwe licht

Dat moeizaam door de dunne stammen tuurt

Er is beneden niets te zien

 

De aarzelende wind kan haar verhaal niet kwijt

Wie zou haar waaien kunnen horen?

Dat speet haar en ze is toen maar gaan liggen

 

 

 

Spelen met zand

 

Een groot kasteel met slotgracht vlakbij zee

Tegen de vloed beschermd door ferme dijken

Voorzichtig gangen graven in een hoge berg

En eindeloos veel mooie taartjes bakken

 

Het harde koele zand gebruikt voor oliebollen

Het warme droge zand, dat door de vingers glijdt

Werd poedersuiker. En kleine schelpen

Waren krenten en succade

 

Nu ik allang volwassen ben

Maak ik zo af en toe een oliebol van zand

En denk: die van mijn zusje waren altijd mooier

 

 

Mijn moeder

 

Haar botten hotsend,

Haar organen klotsend

Van onder tot boven

Met zand bestoven

 

 Zo rolde mijn moeder

Ruim vijftig jaar geleden

Te Schoorl aan Zee

Van een duin naar beneden.

 

Het was beslist geen ongeluk.

Zij kon ons eindeloze vragen van:

Toe nou mam, rol met ons mee

Op zekere dag

Niet langer meer verdragen.

 

Dus rolde zij en rolde zij

En deed een schietgebedje

Gelukkig droeg zij om haar keurig haar een netje.

 

 

Getroost

Ik heb mezelf herkend in een gedicht
Waarin hoe ik mij voel in taal wordt weergegeven
Al wat ik niet benoemen kon is nu gezegd

Het is of mij een vriend heeft aangeraakt
Hij zei: wij zullen deze pijn nu samen dragen
Ik werd getroost en kon weer verder gaan

 

 

Zomaar ineens

 

Lopend door het zomerpark

Koel en sereen in ochtendzon

Wil onverwachts het ongezegde

Uit mijn hart naar buiten breken

 

 

Dat mij dit zomaar overkomt!

Als in een vlaag van tintelend licht

Waaieren woorden uit in golven

En vormen samen een gedicht

 

 

Toen heeft de wind die woorden meegenomen Alleen hun glans zal altijd bij me blijven En dat moment van schoonheid, zo volkomen...

 

 

Manuscript

In de vitrine ligt het oude boek
Waarin de melodieŽn zijn verscholen
Die lang geleden zijn ontvangen en gezongen

Verborgen onder lijnen en symbolen
Gestold, geminimaliseerd,
Wachten zij op de adem van een zanger,
Die hen bevrijdt en teruggeeft aan de ruimte

 
Branding
 
De zee staat hoog, een gore schuimkrans om haar rand
Verwaaide meeuwen krijsen op gekrompen strand
Het natte zand vol stukken hout en zompig wier
Op hol geslagen zee, een niet te temmen dier.
 
Haar wind-doorloeide golven, zwart met grijze kop
Reiken uit naar wolken, kolkend in galop
Toornen hemelwaarts en vallen dan terug
In eeuwige herhaling, zoekend naar een brug.
 
Toen heeft de felle zon haar stralenbrug gesmeed
En golven-wolken samen met kanten licht omkleed
En al wat grijs en goor was gedrenkt in zilverglans
Wat eerst nog bar en ruig was werd wilde vreugdedans.
 

 

Voor mijn geleidehond

 

 In 't donker loeit de wind mij aan

Mijn ogen heb ik thuisgelaten

Nu alles buiten kraakt en huilt

Ben ik bevreesd om uit te gaan

 

Terwijl jij vastberaden voor me snelt

Betreed ik angstig .t brullend onbegrensde

En kom ik langzaamaan door jou tot rust:

.k ben immers niet alleen in dit geweld

 

 

Vlinder

 

Temidden van miljarden duistere zaken

Heeft God jou in Zijn wereldkleed geweven

Een geur, een toon om even licht te maken

Een tere tinteling van trillend leven.

 

 

Ik zie jou niet, maar toch kan het gebeuren

Dat jij mij binnenin met stralend blauw beschijnt

En al wat zorgelijk en somber is verdwijnt

Als ik je toesta mij door jou te laten kleuren.

 

 

Ingehouden

 

Nu heeft de zee zich teruggetrokken

Sereen en stil, geboeid door winterkou

Haar hoge golven gladgestreken

Haar ruisen een bedeesd gefluister

 

Zij is zo ver, zo bijna niet aanwezig

Haar troepen teruggetrokken op de basis

wachten, hoe lang nog,

Met ingehouden adem op een storm

 

 

 

© Elveerha Leschot
(Dichterscollectief Katwijk)
 
 
 
 
 

volgende >>

Laatste wijziging op: 18-03-2007 18:47