Welkom | Werkwijze | Gedichten (Aleid) | Gedichten (Carolien) | Gedichten (Christiena) | Gedichten (Elveerah) | Gedichten (JMT Adema) | Gedichten (Lilian) | Gedichten (Margriet) | Gedichten (Peter) | Gedichten (Willy) | Gastdichters | Gedicht van de maand | Activiteiten Dichterscollectief | In de pers | Activiteiten in het land en regio | info en contact | Links | Nieuwsbrief | Foto's | Gastenboek

Ziekte

 

Weggerukt uit de sleur van alledag.

Weggerukt uit zekerheid.

Met de neus gedrukt,

Op ongewisse feiten.

 

Overgeleverd aan de medische molen.

Aan “beterschap” en “kop op”;

Aan de wereld op zijn kop,

Aan gepieker en getob.

 

Gereduceerd tot een triest geval.

Tot te ontwijken zieligheid.

Tot gepraat achter de rug,

En gemaakte spontaniteit.

 

 

Thuis

 

Waar het hart, na zo lang zoeken,

Vindt, wat nooit echt kwijt was,

Waar de last, die pijnlijk zwaar leek,

Ineens niet half zo zwaar meer was,

 

Waar een half woord meer dan zat is

Om een boekdeel mee te vullen,

Waar alles op de juiste plaats valt

En er niets valt te verhullen,

 

Waar altijd de juiste toon

Moeiteloos gevonden wordt,

Waar zelfs na lange tijd van scheiden

De liefde nooit verdort.

 

 

Lezen

 

Verdwaald in een boek.

Geboeid en gekluisterd,

Ontvoerd.

 

Meegevoerd in een dimensie,

Verborgen in woorden op papier.

Alleen te ontsluieren door te luieren op de bank

En te lezen: woord voor woord, ongestoord,

Tot totaal:

Verdwaald in een boek.

 

 

Ogen

 

De echo klinkt nog na, zelfs over ’t koude graf.

De ogen blijven branden, voor ’t leven gestraft.

De ruzies blijven hangen, houden nooit meer op,

Het hart dat blijft in tweestrijd, tot het kloppen stopt.

 

Discussie is onmogelijk, toen niet en niet nu.

Geen blijk van mededogen, altijd bot en cru.

Geen woord van houden van, respect of erkenning,

Geen sprake van berusting, zelfs niet van gewenning.

 

Het schrijnen en het kwijnen, bitter is de wrok.

Kastijding blijft maar doorgaan, altijd wel een stok.

Een andere kijk stuit slechts op pijnlijk onvermogen,

Niet in staat om los te laten, altijd zien door vaders’ ogen.

 

 

Naar huis

 

Verloren in een niemandsland

Waar alles en niets er nog toe doet.

Die zuster daar, die weet het wel;

Maar ‘k weet niet wat ik vragen moet.

 

Verloren in een niemandsland.

Mijn gedachten doen het niet.

Ze brengen enkel méér verwarring

Boosheid, onmacht en verdriet.

 

Verloren in de tijd: ik zoek.

Ouders, kinderen, wie ik was.

Ik krijg geen vat op waar ik ben.

Ben ‘k hier al lang, of nog maar pas.

 

Waarom mag ik niet naar huis.

Naar daar, waar ik me veilig voel.

Waar alles is zoals vertrouwd.

Waar ik begrijp wat ik bedoel.

 

 

Jeugd

 

De broeierige geest van de eeuwige jeugd,

Verzonken in peilloze diepten,

Van de menselijke aard: de wanhoop en de vreugd’,

De intensiteit: de haat, de liefde.

 

Schuimende eenlingen; verblind door hun ego;

Verdwaasd en verwilderd, en bang.

Hard in hun oordeel, want hún toekomst is groots,

De waan, de illusie. Nog zonder bedwang.

 

 

Mijn tuin

 

Bron van onvolkomenheid.

Het best gedijt mijn zelfverwijt.

Door mijn piekeren overwoekerd,

Verwordt bezoeken tot een verzoeking.

Uit  elke hoek, beschuldigende ogen,

Weerspiegelend mijn pijnlijk onvermogen.

 

Enkel onkruid en tekort schieten wortel;

Het knaagt, het wringt zich en het mort,

Tot het werk zich genadeloos

Op mij stort.

 

 

Verstild

 

Meer en meer teruggetrokken.

Dieper en dieper in dementie.

Wend je je af: verder en verder,

Totdat je niets en niemand meer ziet.

 

Kon ik je nog maar een keer bereiken.

Mijn hart, dat huilt: verscheurd, om jou.

Een enkele glimlach: mijn enig houvast.

Je bent zó ver weg; en toch zó vertrouwd.

 

Ben je gelukkig, daar in je schulp.

Ben je nog echt, of slechts nog een schim.

Wat denk je, voel je, wat houdt je bezig.

Speel ik nog een rol, heel diep binnenin.

 

Van actiefoto ben je verworden,

Tot een stilleven, op zwijgend doek.

Had ik de macht, om mee te beslissen:

Ik zou dan besluiten: EINDE BOEK.

Eenzaamheid

 

Onzichtbaarheid; met muren,

Dreigend en omsluitend.

Levend in een vacuüm:

Hier binnen, maar ook buiten.

 

Gevangen, in een wereld,

Buiten ruimte, buiten tijd.

De anderen zijn zó ver weg.

Ik. Hier. In stilte. Waar ik lijd.

 

Hoe kon ik weten: die cocon,

Had ik als rups gesponnen.

Eenzaam was ik, en wanhopig.

Tot ik als vlinder overwon.

 

 

Heerlijk Wezen.

 

Wat moet het heerlijk wezen een boom te zijn.

Moeiteloos mediterend,

Gedachtenloos genietend,

Levenssappen stromend,

Dromenloos dromend,

Slechts Zijn.

 

Argeloos wiegend

Het prille vogelleven,

Een huis voor al wat huizen wil.

 

Deinend op de golven der seizoenen

Sterk en stevig,

Soepeltjes zwiepend,

Als het gaat, als het kan, Eewenlang.

 

 

 

Duisternis, het zwarte water.

 

In de donkerste krochten van mijn ziel,

Een ijle kilte, een gitzwart wiel.

Flarden mist, grillige contouren

Een huivering, minachtend woorden.

 

Begeerte naar het alleronnoemelijkste,

Zucht naar het verfoeilijkste verdoemde,

Warm stromend bloed, verboden liefde,

Het grootste verbod, wat een ieders hart doorklieft.

 

 

Stof tot stof, leven tot leven.

 

Zieltogend, uiterste onvermogen,

Onbewogen gedogen dat het

Stoffelijk overschot verwordt tot stof.

 

Nieuw leven gevend,

Opnieuw delend,

Verweven in het spel

Der nemen en geven,

Eeuwenlang of maar voor even.

 

 

De mensheid.

 

Vanaf duizend-en-één kansels,

Vergalopperend, verkwanselend,

Onvermoeid verschroeiend,

Verloederend de eigen Moeder.

 

Onbesuisd berijdend de zonnekar,

Wijsheid vermijdend,

Vermaledijd, zonder spijt,

Religie der eigen beeltenis belijdend,

Ongebreideld ijdel,

Tot het eind.

 

 

Zomerse wetteloosheid.

 

Dwingende zon,

Lomende hitte,

Stralende zweet,

Rodende witte.

 

Kuierende tred,

Wakende nachten,

Luierende lijf,

Lichte gedachten.

 

Luchtende kledij,

Dorstende mond,

Handelende vrij,

Vriendende rond.

 

 

Woestenij

 

De gemakzucht van geweld.

De “cool” van onverschilligheid.

De kille grijnslach van de macht,

Tot de laagste daad bereid.

 

Brute branie, brallend, knallend,

Vuist en vuur: het kolkend bloed.

Een spotlied op de menselijkheid,

Op al wat is zuiver, mooi en goed.

 

 

Opgegeven

 

Ik schreeuw en vecht en breek me vrij.

Want jullie wereld is niet van mij.

Dus doe ik niet met jullie mee.

Integratie? Ik zeg Nee!

 

Hoe ik vroeger ook probeerde,

Ik stuitte enkel op verweer.

Elke stap naar jullie toe,

Maakte mij alleen maar moe.

 

Niets is voor mij vanzelfsprekend.

Haat is alles wat jullie kweken.

Nooit word ik geaccepteerd,

Heb ik inmiddels wel geleerd.

 

Jullie weten tóch alles beter.

Maar weet dat ik dit niet vergeet.

Jullie bolwerk gaat eraan!

Misschien dat jullie me dán verstaan!

 

 

Obsessie

 

Een Liefde, alles consumerend,

Een Haat als een verzengend vuur,

Gepassioneerd, als ’t ware bezeten,

Strijdend, tot het laatste uur.

 

Zoekend, vragend, vechtend, jagend,

Tot waanzin drijvend, groots, banaal,

Don Quichotte in drievoud, viervoud,

Dwaallicht, drogbeeld, femme fatale.

 

 

Frustratie

 

Levend in een wereld die zich niet plooit naar mijn wensen

Levend in een wereld vol verkeerd denkende mensen

Als ik macht had zou ik alle zaken zetten naar mijn hand

Want er is geen greintje van respect in dit vermaledijde land.

 

Maar jij mijn lief, jij houdt van mij, dus doe je wat ik zeg.

Neem mijn hand en volg me maar, ik wijs je wel de weg

Je weet, mijn handen zitten los en ik sla je soms verrot,

Dat spijt me zeer, maar als je gaat, maak ik je echt kapot.

 

 

Bullebakbaas

 

Ik ben je baas, en ik heb macht.

Ik kan je maken, ik kan je breken.

Ik ben de laatste die er lacht.

Je kunt je toch niet op me wreken.

 

Meen je dat je je werk goed doet?

Ik ben de laatste, die dat zal beamen.

Jou te pesten doet me goed.

En steeds nieuwe plannen beramen.

 

Ik speel met je; ik leef me uit.

Ik vermorzel je met veel genoegen.

Jouw welzijn doet me echt geen fluit.

‘k Leun achterover, zonder wroeging.

 

 

Slachtoffer

 

Een gat geslagen, diep en duister.

Nooit meer helend, nooit meer schoon.

Nemend weg, het levens luister.

Nooit meer wat eens was: gewoon.

 

Een bres geslagen: haat en woede.

Een hart vol liefde, bloedde koud.

Licht en lucht werd zwaar te moede.

Nooit meer wat eens was: vertrouwd.

 

Toen verloor ik al mijn zinnen.

Gelijk mijn onschuld en mijn jeugd.

Nooit zal ik een man beminnen.

Slechts te sterven brengt mij vreugd’.

 

 

Ogen

 

De echo klinkt nog na, zelfs over ’t koude graf.

De ogen blijven branden, voor ’t leven gestraft.

De ruzies blijven hangen, houden nooit meer op,

Het hart dat blijft in tweestrijd, tot het kloppen stopt.

 

Discussie is onmogelijk, toen niet en niet nu.

Geen blijk van mededogen, altijd bot en cru.

Geen woord van houden van, respect of erkenning,

Geen sprake van berusting, zelfs niet van gewenning.

 

Het schrijnen en het kwijnen, bitter is de wrok.

Kastijding blijft maar doorgaan, altijd wel een stok.

Een andere kijk stuit slechts op pijnlijk onvermogen,

Niet in staat om los te laten, altijd zien door vaders’ ogen.

 

 

Explosief

 

Hoe laat je de wereld van getallen knallen?

Voeg een vleugje poëtische chaos en anarchie

Aan de strakke regie

Van de wiskunde,

En één en één wordt als vanzelf

Elf

 

 

 

© Christiena Westra

(Dichterscollectief Katwijk)

 

 

 

 

 

volgende>>>

Laatste wijziging op: 20-02-2007 21:54